Een sloot als netwerk
Als je naar een sloot kijkt lijken de relaties eenvoudig om te zien. Waterplanten en algen groeien met licht en voedingsstoffen. Watervlooien filteren algen uit het water. Kleine vissen eten watervlooien, en een snoek of reiger kan weer op die vissen jagen. Wie deze relaties achter elkaar zet, krijgt een begrijpelijke voedselketen.
Maar de werkelijkheid is minder rechtlijnig. Een kleine vis eet niet alleen watervlooien. Hij kan ook muggenlarven, andere kleine ongewervelden of jonge vis eten. Een reiger vangt verschillende soorten prooi. Schimmels en bacteriën leven van dode resten, waarna kleine dieren daarvan profiteren. Dezelfde soorten zijn dus op meerdere manieren met elkaar verbonden. Samen vormen zij geen rijtje, maar een netwerk.
Een sloot is geen verzameling losse soorten, maar een netwerk van voedselrelaties. Waterplanten vormen de basis voor veel andere organismen, terwijl planteneters, predatoren, detrituseters en reducenten ieder op hun eigen manier met dat netwerk verbonden zijn.
Een voedselketen is een begin
Een voedselketen is een vereenvoudigd antwoord op de vraag wie door wie wordt gegeten. In een sloot kan zo’n keten bijvoorbeeld lopen van alg naar watervlo naar kleine vis naar snoek. In een berm kan zij lopen van plant naar rups naar zangvogel naar sperwer. Zo’n keten laat zien dat voedsel en energie niet op één plek blijven, maar van organisme naar organisme worden doorgegeven.
Als eerste denkhulp is dat nuttig. Toch wekt een keten al snel de indruk dat elk organisme maar één verbinding heeft. Dat is zelden zo. Een spin vangt verschillende insecten; veel vogels schakelen in de loop van het jaar tussen voedselbronnen; een omnivoor eet op meerdere trofische niveaus. De voedselketen is dus geen onjuiste voorstelling, maar een kleine uitsnede uit een veel groter voedselweb.
Begrip
De pijl loopt van voedsel naar eter
In een voedselweb wijst een pijl meestal van wat gegeten wordt naar degene die eet. De richting laat daarmee zien hoe voedsel en de daarin vastgelegde energie worden doorgegeven: alg → watervlo → kleine vis → snoek.
Trofische niveaus: een bruikbare ordening
Om in een voedselweb toch enig overzicht te houden, gebruiken ecologen het idee van trofische niveaus. Dat zijn geen vaste lagen in een gebouw, maar een manier om te beschrijven op welke plaats een organisme staat in de overdracht van voedsel en energie. Onderaan staan de primaire producenten. Daarboven staan consumenten die planten, algen of andere organismen eten.
De indeling is een hulpmiddel, geen natuurwet. Veel soorten passen niet netjes in één vak. Een watervogel kan planten, ongewervelden en vis eten. Een larve verandert tijdens haar leven soms van voedsel. Ook reducenten en detrituseters verbinden meerdere delen van het web. Juist daarom helpt de indeling vooral om patronen te zien, niet om de werkelijkheid te strak in te delen.
Niveau
Wie horen hierbij?
Wat doen zij in de voedselrelaties?
Primaire producenten
Waterplanten, algen en andere organismen die met licht organische stoffen opbouwen.
Zij vormen de basis waarop veel andere organismen direct of indirect steunen.
Primaire consumenten
Bijvoorbeeld watervlooien, slakken, kikkervisjes en plantenetende insecten.
Zij gebruiken producenten of delen daarvan als voedsel.
Secundaire consumenten
Bijvoorbeeld spinnen, roofinsecten, kleine roofvissen en insectenetende vogels.
Zij eten organismen die zelf producenten of detritus gebruiken.
Hogere consumenten
Bijvoorbeeld snoek, reiger of andere hoge predatoren.
Zij kunnen effecten hebben die via meerdere schakels doorwerken.
Het web verandert mee
Een voedselweb is geen stilstaand schema. In het voorjaar zijn jonge bladeren, insectenlarven en broedende vogels belangrijker dan in de winter. In een sloot kunnen watervlooien in een bepaalde periode massaal voorkomen, terwijl later in het jaar andere kleine dieren of vissen dominanter worden. Ook de grootte van een organisme doet ertoe: een kikkervisje eet anders dan een volwassen kikker.
Daarom is een voedselweb altijd een vereenvoudiging van relaties in plaats en tijd. Het laat zien welke verbindingen mogelijk en belangrijk zijn, maar niet precies hoeveel er op ieder moment wordt gegeten. Wie een schema leest, moet het dus zien als een kaart van samenhang, niet als een volledige film van alles wat er gebeurt.
Dode resten horen erbij
Niet alle voedselrelaties beginnen bij een levende plant of alg. Afgevallen bladeren, dode dieren, uitwerpselen en afgestorven plantendelen vormen samen dood organisch materiaal, vaak detritus genoemd. Bacteriën en schimmels breken dat materiaal af. Daarnaast zijn er detritivoren: dieren die detritus rechtstreeks als voedsel gebruiken, zoals veel wormen, pissebedden en kleine bodem- en waterdieren. Samen vormen reducenten en detritivoren een belangrijke route waardoor dood materiaal opnieuw in het voedselweb wordt opgenomen.
Dat detrituspad is in veel ecosystemen minstens zo belangrijk als de zichtbare voedselketen van levende planten naar planteneters en predatoren. In een bos gaat een groot deel van de productie uiteindelijk via strooisel en bodemleven. In een sloot worden bladeren, slib en dode waterplanten onderdeel van een voedselroute die onder het wateroppervlak grotendeels onzichtbaar blijft.
Anders bekeken
Een blad dat valt, verdwijnt niet uit het systeem
Een blad op de bodem van een sloot lijkt het einde van een groeiseizoen. Ecologisch is het ook het begin van een nieuwe route. Schimmels en bacteriën maken het materiaal toegankelijker, kleine dieren eten ervan of leven van de micro-organismen, en zo komt de energie opnieuw in het voedselweb terecht.
Dode resten verdwijnen niet uit het voedselweb, maar vormen een nieuwe fase daarin. Zwammen, bacteriën en andere reducenten breken dood hout af en maken de daarin opgeslagen stoffen weer beschikbaar voor andere organismen.
Indirecte gevolgen in een voedselweb
Een voedselweb maakt zichtbaar dat een soort ook invloed kan hebben op soorten die zij niet rechtstreeks ontmoet. Wanneer een predator minder planteneters overlaat, kan dat de druk op planten verminderen. Wanneer een plaag of ziekte een veelvoorkomende prooi terugdringt, kunnen predatoren uitwijken naar andere prooien. Zulke gevolgen via één of meer tussenstappen noemen we indirecte effecten.
Soms kan een effect zich door meerdere trofische niveaus voortzetten. Een predator beïnvloedt dan de planten niet doordat hij ze zelf eet, maar doordat hij de dieren beïnvloedt die van die planten leven. Dat noemen ecologen een trofische cascade. Of zo’n cascade sterk zichtbaar wordt hangt af van de soorten, de hoeveelheid voedsel, schuilmogelijkheden, seizoenen en vele andere omstandigheden. Een eenvoudig schema is daarom vooral een manier om gerichter te kijken naar wat er in een systeem zou kunnen doorwerken.
Van bovenaf en van onderaf
Sommige veranderingen beginnen zichtbaar hoog in het web, bijvoorbeeld wanneer predatoren de aantallen of het gedrag van hun prooi beïnvloeden. Andere beginnen onderaan, wanneer licht, water of voedingsstoffen bepalen hoeveel planten of algen kunnen groeien en hoeveel voedsel er daarna beschikbaar is. Ecologen spreken daarbij vaak over invloed van bovenaf en van onderaf.
In echte ecosystemen werken die richtingen meestal tegelijk. Voedselrijk slootwater kan algengroei stimuleren, maar de uitkomst hangt ook af van hoeveel watervlooien er zijn, welke predatoren hierop jagen en hoe helder het water blijft. In het volgende deel kijken we daarom verder naar de vraag wat de verhoudingen hierin het meeste stuurt - en waarom die vraag zelden met één enkel antwoord af te doen is.
Een voedselweb laat zien dat organismen in een ecosysteem op veel manieren met elkaar verbonden zijn. Producenten vormen organische stof, consumenten eten planten en dieren, en reducenten breken dode resten weer af. Zo lopen in een sloot niet alleen voedselrelaties, maar ook energiestromen en kringlopen van stoffen door hetzelfde netwerk.
Het voedselweb van een sloot
Een sloot laat goed zien waarom het woord web beter past dan keten. Algen en waterplanten vormen de basis. Watervlooien, slakken, kikkervisjes en sommige insectenlarven gebruiken die producenten of het organische materiaal dat daaruit voortkomt. Kleine vissen eten verschillende van deze dieren. Grotere roofvissen, vogels en andere predatoren gebruiken weer kleinere vissen, kikkers of grotere ongewervelden als voedsel.
Daarnaast lopen er verbindingen via dood materiaal. Bacteriën en schimmels breken plantenresten en dode dieren af. Kleine bodem- en waterdieren gebruiken die resten of de micro-organismen die erop groeien. De voedingsstoffen die daarbij vrijkomen, kunnen opnieuw door algen en waterplanten worden opgenomen. Het voedselweb is daarmee niet alleen een kaart van wie wat eet, maar ook een eerste blik op de grotere samenhang van energie, organisch materiaal en leven.
Samengevat
Een voedselketen laat één mogelijke route van voedsel naar eter zien. Een voedselweb laat zien dat organismen in werkelijkheid via veel meer relaties met elkaar verbonden zijn. Soorten eten meerdere dingen, worden door meerdere soorten gegeten en veranderen soms van voedsel gedurende hun leven of met het seizoen.
Trofische niveaus helpen om die relaties te ordenen, maar ze zijn geen harde vakjes. Primaire producenten, consumenten, predatoren, detritivoren, bacteriën en schimmels maken allemaal deel uit van hetzelfde netwerk. Dode resten horen er dus niet als bijzaak bij, maar als belangrijke route waardoor materiaal en energie opnieuw beschikbaar komen.
Wie een voedselweb ziet, kijkt anders naar een sloot, berm of bos. Niet als een verzameling losse soorten, maar als een patroon van directe en indirecte relaties dat steeds mee verandert met plaats, seizoen en omstandigheden.
Zelf kijken
Kijkvraag voor buiten
Kijk bij een sloot, vijver, berm of bosrand niet alleen naar één opvallende soort. Vraag je af: waar haalt dit organisme zijn voedsel vandaan? Wie zou het kunnen eten? Welke planten, algen, dode resten of micro-organismen spelen misschien mee zonder dat je ze direct ziet? Probeer minstens drie mogelijke verbindingen te benoemen.