Begrip
Gemeenschap
Een gemeenschap, ook wel levensgemeenschap, bestaat uit alle populaties van verschillende soorten die op dezelfde plek voorkomen en elkaar direct of indirect beïnvloeden.
Een bloemrijke berm vol relaties
Binnen een bloemrijke berm in juni lijkt alles tegelijk te gebeuren. Grassen staan hoog, kruiden bloeien op verschillende momenten, bijen en zweefvliegen zoeken nectar, rupsen eten blad en spinnen wachten tussen de stengels. Onder de grond groeien wortels door elkaar heen, schimmels verbinden zich met plantenwortels en kleine bodemorganismen verwerken dood materiaal.
In een soortenrijke wegberm leven veel plantensoorten dicht bij elkaar. Samen vormen zij een gemeenschap waarin soorten ruimte, licht, water en voedingsstoffen delen en elkaar daarbij voortdurend beïnvloeden.
Toch is zo’n berm niet eenvoudigweg een verzameling soorten. De aanwezigheid van iedere soort verandert iets voor andere soorten. Sommige maken gebruik van dezelfde ruimte of dezelfde hulpbronnen. Sommige soorten eten elkaar, bieden beschutting of veranderen de omstandigheden op een plek. Samen vormen al die populaties een gemeenschap: een levend patroon van soorten en relaties.
Meer dan een verzameling soorten
Een gemeenschap is het geheel van populaties van verschillende soorten die op dezelfde plek aanwezig zijn. In een bos gaat het dus niet alleen om de bomen, maar ook om mossen, schimmels, insecten, vogels, zoogdieren en micro-organismen. In een sloot horen waterplanten, algen, watervlooien, slakken, vissen, bacteriën en talloze andere organismen erbij. De precieze grens hangt, net als bij een ecosysteem, af van de vraag die je stelt.
Die definitie klinkt eenvoudig, maar zij verandert de manier van kijken. Een soortenlijst zegt welke soort er is aangetroffen. Een gemeenschap gaat een stap verder: zij vraagt welke soorten tegelijk voorkomen, hoe talrijk ze zijn en welke relaties tussen hen een rol spelen. Een plek met dezelfde tien soorten kan er ecologisch heel anders uitzien wanneer één soort vrijwel alles domineert of juist wanneer de soorten meer in evenwicht voorkomen.
Daarom kijken ecologen niet alleen naar aanwezigheid of afwezigheid. Ook de samenstelling van de gemeenschap doet ertoe: welke soorten zijn talrijk, welke zijn zeldzaam, welke leven vooral in de bodem of in de bovenste lagen, en welke verschijnen slechts kort binnen een seizoen? Zo wordt zichtbaar dat een gemeenschap niet uit losse namen bestaat, maar uit een bepaalde ordening van leven op een plek.
Gemeenschap
Alle populaties van verschillende soorten die op dezelfde plek voorkomen en elkaar direct of indirect beïnvloeden.
Directe invloed
Een soort beïnvloedt een andere soort rechtstreeks, bijvoorbeeld doordat een slak van een plant eet of een spin een insect vangt.
Indirecte invloed
Een verandering in één populatie werkt via tussenstappen door in soorten die nooit rechtstreeks met die populatie in contact komen.
Anders kijken
Niet alles wat samenleeft, werkt samen
“Samenleven” klinkt alsof soorten vanzelf goed met elkaar kunnen opschieten. In de ecologie betekent het alleen dat soorten op dezelfde plek voorkomen en elkaar op een of andere manier beïnvloeden. Die invloed kan gunstig, ongunstig of nauwelijks merkbaar zijn. Concurrentie, begrazing, parasitisme en predatie horen net zo goed bij een gemeenschap als bestuiving, beschutting en samenwerking met schimmels.
Soorten beïnvloeden elkaar op verschillende manieren
Sommige relaties zijn direct zichtbaar. Een slak eet van een plant, een spin vangt een insect of twee jonge bomen beschaduwen elkaar. Andere relaties vallen minder op. Een schimmel kan de opname van voedingsstoffen door een plant beïnvloeden. Een vogel die rupsen vangt, verandert daarmee ook de druk die die rupsen op bladeren uitoefenen. Een soort hoeft een andere soort dus niet te raken om toch invloed uit te oefenen.
Ook de richting van die invloed verschilt. Bij concurrentie hebben twee soorten last van elkaars gebruik van een beperkte hulpbron, zoals licht, ruimte, water of voedsel. Bij predatie of begrazing profiteert de ene soort van de andere als voedselbron. Bij parasitisme leeft een organisme langduriger ten koste van een gastheer. En soms maakt een soort de omstandigheden voor een andere soort juist gunstiger, bijvoorbeeld door schaduw, beschutting of een betere bodemstructuur te creëren.
In echte gemeenschappen lopen die vormen door elkaar heen. Een plant kan bijvoorbeeld concurrent zijn van een andere plant, voedsel voor een rups, schuilplaats voor een spin en gastheer voor een schimmel. Juist doordat één organisme tegelijk met meerdere soorten relaties heeft, bestaat een gemeenschap niet uit afzonderlijke soortrelaties, maar uit een netwerk van onderlinge beïnvloeding.
Relatie
Wat gebeurt er?
Voorbeeld
Concurrentie
Soorten gebruiken dezelfde beperkte hulpbron. Daardoor kunnen de kansen van beide afnemen.
Twee plantensoorten nemen licht, water en voedingsstoffen op uit dezelfde bodem.
Predatie of begrazing
De ene soort gebruikt de andere geheel of gedeeltelijk als voedsel.
Een spin eet een vlieg; een rups eet van een plant.
Parasitisme
Een parasiet of ziekteverwekker profiteert van een gastheer en kan diens groei, overleving of voortplanting beperken.
Een schimmelziekte op een plant of een teek op een zoogdier.
Facilitatie
Een soort maakt een plek gunstiger voor een andere soort, soms zonder daar zelf direct voordeel van te hebben.
Duinplanten houden zand vast en creëren luwte waarin andere planten kunnen kiemen.
Dezelfde plek, verschillende manieren van leven
Dat verschillende soorten op één plek voorkomen, betekent niet dat zij allemaal precies hetzelfde doen. Vaak gebruiken soorten een plek op uiteenlopende manieren. De ene plant wortelt dieper dan de andere. Een bosplant benut het vroege voorjaarslicht voordat het bladerdak sluit, terwijl een andere soort juist in de zomer goed gedijt in de schaduw. Insecten kunnen op verschillende momenten van de dag actief zijn, of zich richten op andere bloemen, bladeren of lagen van de vegetatie.
Dat soort verschillen verkleint de overlap tussen soorten. Ecologen spreken dan over niche-onderscheiding : soorten verschillen in de omstandigheden die zij verdragen, de hulpbronnen die zij gebruiken, de plaats waar zij leven of het moment waarop zij actief zijn. Daardoor kan de druk van directe concurrentie afnemen. Het is een belangrijke verklaring voor de vraag hoe veel soorten langdurig naast elkaar kunnen bestaan.
Dat betekent niet dat samen voorkomen altijd stabiel of probleemloos is. De ruimte en de hulpbronnen van een plek blijven begrensd. Een zeer sterke concurrent kan andere soorten terugdringen. Een verandering in vocht, beheer of voedselbeschikbaarheid kan de verhoudingen verschuiven. Maar verschillen in levenswijze zorgen er vaak voor dat een gemeenschap meer ruimte biedt dan op het eerste gezicht zichtbaar is.
Soorten kunnen naast elkaar leven doordat zij hun omgeving niet op precies dezelfde manier benutten. In een berm, bosrand of oeverzone verschillen zij in hoogte, worteldiepte en activiteit in de tijd. Zo verkleinen zij de overlap in hun niches en wordt samenleven mogelijk.
Invloed loopt vaak door via omwegen
Sommige effecten zijn direct: een rups eet van een blad, een vogel eet een rups. Maar in een gemeenschap kunnen effecten ook via omwegen doorwerken. Minder rupsen betekent bijvoorbeeld minder vraatschade aan planten. Meer dichte vegetatie kan insecten meer schuilplaatsen bieden, maar ook de hoeveelheid licht voor kiemplanten verminderen. Een verandering in één populatie kan zo merkbaar worden in soorten die nooit rechtstreeks met die populatie in contact komen.
Dit soort indirecte effecten zijn een belangrijke reden om voorzichtig te zijn met simpele verklaringen. Het is niet altijd duidelijk wat de oorzaak ervan is als een soort afneemt of juist toeneemt. Misschien is er minder voedsel, meer concurrentie, een verandering in het beheer, een ziekte of een verschuiving in het contact met een andere soort. Ecologen proberen daarom niet alleen losse verbanden te zien, maar ook te begrijpen hoe die verbanden samen een patroon vormen.
In het volgende deel over verandering en successie komt die dynamiek verder naar voren. Later in deze reeks bekijken we ook voedselwebben, waarin de vele directe en indirecte voedingsrelaties nog duidelijker zichtbaar worden. Hier is vooral van belang dat een gemeenschap geen optelsom is: relaties kunnen doorwerken, soms dichtbij en soms op verrassende afstand.
Verdieping
Niet iedere soort hoeft met iedere andere soort te interageren
In een grote gemeenschap kennen veel soorten elkaar niet “rechtstreeks”. Een bodembacterie, een roofvogel en een bloeiende plant kunnen wel deel uitmaken van dezelfde gemeenschap, zonder dat zij elkaar direct beïnvloeden. Toch kunnen zij via tussenstappen met elkaar verbonden zijn: via bodemprocessen, voedsel, schuilplaatsen, water of de manier waarop andere soorten reageren.
In een gemeenschap werken soorten niet alleen rechtstreeks op elkaar in. De plant voedt de planteneter en de vogel eet de planteneter, maar daardoor beïnvloedt de vogel indirect ook de plant. Zo ontstaan in een gemeenschap netwerken van directe en indirecte relaties.
Een gemeenschap verandert met plaats en seizoen
Een gemeenschap is altijd verbonden met een plaats én een moment. Een bos in april is niet hetzelfde bos als in augustus. Voorjaarsbloeiers gebruiken het licht voordat de bomen volledig in blad staan. In de zomer verandert het microklimaat onder het bladerdak. Trekvogels, insecten en paddenstoelen verschijnen en verdwijnen door het jaar heen. Zelfs op dezelfde vierkante meter kan de zichtbare gemeenschap dus sterk wisselen.
Ook binnen een gebied is er zelden overal precies dezelfde gemeenschap. Een droge verhoging naast een natte laagte, de zonnige rand van een bos en het donkere binnenste, of een oeverzone die soms onder water staat: elk van die microplekken biedt andere mogelijkheden. Daardoor bestaat een landschap vaak uit een mozaïek van kleine gemeenschappen die in elkaar overlopen.
Die variatie maakt een plek ecologisch rijker. Niet omdat elk verschil automatisch meer soorten oplevert, maar omdat verschillen in licht, vocht, structuur en tijd meer manieren van leven mogelijk maken. De vraag welke soorten zich waar vestigen en hoe dat in de tijd verandert, brengt ons bij het volgende onderwerp van deze reeks: natuur is altijd in beweging.
Een bloemrijke berm vormt een kleine gemeenschap waarin veel plantensoorten dicht bij elkaar voorkomen. Zij delen ruimte, licht, water en voedingsstoffen, maar verschillen tegelijk in groeivorm, bloeitijd en gebruik van hun omgeving. Juist die verschillen maken het mogelijk dat zoveel soorten naast elkaar bestaan.
Kijken naar een bloemrijke berm als gemeenschap
Een bloemrijke berm is een goed voorbeeld omdat de samenhang er dicht bij huis zichtbaar kan worden. Grassen en kruiden concurreren om licht, water en ruimte. Sommige planten bloeien vroeg, andere later. Bestuivende insecten gebruiken de bloemen als voedselbron, terwijl rupsen, bladluizen en kevers van bladeren en stengels leven. Spinnen, loopkevers en vogels jagen weer op een deel van die dieren. Onder de grond verwerken schimmels, bacteriën en bodemdiertjes afgestorven materiaal.
Niet elke soort is even talrijk en niet elke relatie is even sterk. Een berm met veel éénjarigen ziet er anders uit dan een berm waarin enkele hoge grassen gaan domineren. Een maaibeurt op een ander moment, een droog voorjaar of extra voedingsstoffen uit de omgeving kunnen de verhoudingen veranderen. Juist daardoor is een berm geen decor langs de weg, maar een kleine gemeenschap waarin voortdurend wordt gereageerd op ruimte, tijd en elkaar.
Wie daar even blijft staan, kan veel vragen stellen. Welke planten vormen de structuur? Welke insecten gebruiken de bloemen, en welke dieren maken gebruik van die insecten? Waar is het warmer, natter of beschutter? En welke soorten verdwijnen uit beeld zodra het seizoen verandert? Door zulke vragen wordt een gewone berm een plek waar ecologische samenhang zichtbaar begint te worden.
Samengevat
Wat neem je mee?
Een gemeenschap bestaat uit alle populaties van verschillende soorten die op dezelfde plek voorkomen. Maar het ecologische verhaal begint pas bij hun onderlinge verbanden. Soorten kunnen elkaar beperken, als voedsel gebruiken, beschutting bieden of via omwegen beïnvloeden. Daardoor is een gemeenschap meer dan een lijst met organismen: het is een patroon van relaties, verschillen en veranderingen.
Dat patroon staat nooit helemaal stil. Soorten gebruiken ruimte en tijd op verschillende manieren, de verhoudingen verschuiven door seizoenen en omstandigheden, en kleine veranderingen kunnen verder doorwerken. In deel 3 kijken we daarom naar de volgende stap: hoe gemeenschappen in de tijd veranderen, en waarom natuur altijd in beweging is.
Zelf kijken
Kijkvraag voor buiten
Kies een plek die je goed kent: een berm, tuin, slootkant, park of bosrand. Welke soorten zie je daar samen? Welke gebruiken dezelfde ruimte of hetzelfde voedsel? En waar zie je verschillen in hoogte, licht, vocht of tijd van activiteit? Probeer niet meteen alles te benoemen; begin met het herkennen van relaties.